Nieuw vennootschapsrecht: wat verandert er wanneer voor wie?


03 Apr 2019

Het federale parlement heeft op 28 februari 2019 het nieuwe ‘Wetboek van vennootschappen en verenigingen’ (afgekort ‘WVV’) goedgekeurd, dat in de plaats zal treden van het bestaande Wetboek van vennootschappen en de Wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen(1). Over de grote nieuwigheden van het WVV zijn in deze nieuwsbrief al een aantal algemene en specifieke bijdragen verschenen(2). In deze bijdrage willen we inzoomen op de praktische gevolgen van de inwerkingtreding van het WVV op nieuwe en bestaande vennootschappen. Wat verandert er wanneer voor wie? Welke stappen moeten/kunnen zij ondernemen en welke opportuniteiten biedt een eventuele vroegtijdige aanpassing van de statuten?

  1. 1 mei 2019: inwerkingtreding WVV(3)

1.1. Nieuwe vennootschappen onmiddellijk onderworpen aan WVV

Het WVV treedt in werking op 1 mei 2019. De statuten van alle vennootschappen die vanaf die datum worden opgericht, moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen van het WVV.

Zoals hieronder beschreven, is er een overgangsregeling uitgewerkt voor de vennootschappen(4) die reeds bestaan op 1 mei 2019 (binnen het bestek van deze bijdrage ‘bestaande vennootschappen’ genoemd). Dit zijn vennootschappen waarvan de oprichtingsakte vóór 1 mei 2019 werd neergelegd op de griffie van de bevoegde ondernemingsrechtbank(5).  Het wordt dus qua timing opletten met vennootschappen die in de laatste week van april worden opgericht. Indien hun statuten nog werden opgesteld op basis van het oude Wetboek van vennootschappen, moeten zij er dus voor zorgen dat hun oprichtingsakte vóór 1 mei 2019 wordt neergelegd op de griffie. Vennootschappen die meteen onder het nieuwe WVV willen vallen, moeten dus wachten tot 1 mei 2019 om hun oprichtingsakte neer te leggen op de griffie.

1.2. Aantal vennootschapsvormen wordt afgeschaft

Met ingang van 1 mei 2019 kunnen vennootschappen niet meer worden opgericht in één van de afgeschafte rechtsvormen, m.n.(6):

-  commanditaire vennootschap op aandelen;

-  vennootschap met sociaal oogmerk;

-  landbouwvennootschap;

-  economisch samenwerkingsverband;

-  coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid; of

-  coöperatieve vennootschap (met beperkte aansprakelijkheid) die niet aan de definitie van een coöperatieve vennootschap in artikel 6:1 van het WVV beantwoordt(7).

1.3. Statutaire zetelleer(8) onmiddellijk van toepassing op bestaande vennootschappen

Het WVV wijzigt ook de regels om te bepalen welke ‘nationaliteit’ een vennootschap heeft. Dit bepaalt het vennootschapsrecht dat op een vennootschap van toepassing is.

Tot op heden maakt België toepassing van de ‘werkelijke zetelleer’, die bepaalt dat het vennootschapsrecht dat van toepassing is op een vennootschap, het vennootschapsrecht is van de staat waar de werkelijke zetel, i.e. de ‘plaats van de voornaamste vestiging’(9), van die vennootschap gelegen is. Dit wordt op haar beurt bepaald door waar haar centrale leiding is gevestigd. Door de band genomen wordt dit geïnterpreteerd als de plaats waar de vennootschapsorganen (algemene vergaderingen, raden van bestuur) samenkomen en hun beslissingen nemen. M.a.w. wanneer de werkelijke zetel van een vennootschap in België kan worden gesitueerd, is het Belgische vennootschapsrecht van toepassing op deze vennootschap.

Met ingang van 1 mei 2019 zal, ongeacht waar de werkelijke zetel zich bevindt, het Belgische vennootschapsrecht (het WVV dus) van toepassing zijn op vennootschappen die hun statutaire zetel in België hebben.(10) Deze loutere keuze van de oprichters/aandeelhouders van een vennootschap om de statutaire zetel in België te lokaliseren, volstaat hierbij, zonder dat er een andere aanknopingsfactor (bv. vergaderingen van vennootschapsorganen in België organiseren, personeel tewerkstellen in België of er een vestigingseenheid hebben) is vereist.

Omgekeerd zal het plaatsen van haar statutaire zetel buiten België er dus toe leiden dat een vennootschap niet langer wordt beheerst door het Belgische vennootschapsrecht. Let wel: op fiscaal vlak en op het vlak van het toepasselijke insolventierecht, blijft de werkelijke zetelleer onveranderd van toepassing. Wanneer een vennootschap met werkelijke zetel in België na 1 mei 2019 haar statutaire zetel zou plaatsen in Panama, wil dit dus niet zeggen dat het Panamese fiscaal recht en insolventierecht op haar van toepassing zal zijn. Indien de werkelijke zetel in België blijft, zal het Belgische fiscale recht en insolventierecht van toepassing blijven op deze vennootschap.

Wij vestigen voorts de aandacht op de situatie van de vennootschappen die vandaag een ‘dubbele nationaliteit’ hebben, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse BV’s die een grensoverschrijdende zetelverplaatsing naar België hebben gedaan. Door de combinatie van de Nederlandse incorporatieleer (waarbij de vennootschap onderworpen blijft aan het recht van het land waar zij werd opgericht) en de Belgische werkelijke zetelleer, zijn deze vennootschappen tot op vandaag onderhevig aan zowel het Nederlandse als het Belgische vennootschapsrecht. Bovendien zijn deze vennootschappen krachtens het Nederlandse vennootschapsrecht verplicht hun statutaire zetel op een plaats in Nederland te vestigen, zodat zij  vandaag hun statutaire zetel in Nederland hebben.

Wanneer op 1 mei 2019 het WVV en de Belgische statutaire zetelleer in werking treden, volgt hieruit dus dat deze vennootschappen vanaf dan niet langer onderhevig zullen zijn aan het Belgische vennootschapsrecht. Het is momenteel onduidelijk hoe dit (o.i. ongewenste) gevolg in de praktijk zal moeten worden uitgewerkt.

1.4. Vernieuwde geschillenregeling onmiddellijk van toepassing op bestaande vennootschappen

Het WVV brengt ook een aantal vernieuwingen/verduidelijkingen aan in de zogeheten geschillenregeling.(11)  Dit is de vennootschapsrechtelijke echtscheidingsprocedure op basis waarvan een aandeelhouder van een nv of een bv(ba) bij aanwezigheid van ‘gegronde redenen’ (i) kan worden verplicht zijn aandelen te verkopen aan een of  meerdere collega-aandeelhouders (uitsluiting), dan wel (ii) door die collega-aandeelhouder(s) kan worden verplicht diens aandelenpakket over te nemen (uittreding).

De belangrijkste wijzigingen ten aanzien van de huidige procedure van het oude Wetboek van vennootschappen(12)  zijn:

-  uitbreiding van het aantal vorderingsgerechtigden (niet enkel eigenaars, maar bv. ook vruchtgebruikers van effecten);

-  voortaan van toepassing op alle door de vennootschap uitgegeven effecten (dus ook winstbewijzen, warrants, opties);

-  de vennootschap wordt een volwaardige procespartij;

-  verduidelijking verhouding geschillenregeling-contractuele bedingen (bv. rechter gehouden tot prijsformule uit aandeelhoudersovereenkomst voor zover deze uitdrukkelijk van toepassing wordt verklaard op de geschillenregeling en niet tot kennelijk onredelijke prijs leidt);

-  bezitsdrempels om toegang te krijgen tot de procedure worden aangepast (bv: 30 % van de winstrechten, bij nv geen drempel meer, procedures toegankelijk voor iedere aandeelhouder);

-  voorzitter van ondernemingsrechtbank wordt bevoegd voor alle samenhangende geschillen (bv. ook discussie over rekening-couranten, zekerheden van aandeelhouders, concurrentiebedingen);

-  duidelijkheid omtrent ‘peildatum’ (voortaan de waarde van de effecten bepalen op tijdstip waarop overdracht wordt bevolen, tenzij dit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat).

Deze vernieuwingen/verduidelijkingen zijn onmiddellijk van toepassing op geschillen die worden ingeleid op of na 1 mei 2019. Alle voordien ingeleide vorderingen worden beheerst door de geschillenregeling van het oude Wetboek van vennootschappen.

1.5. Overgangsregeling voor bestaande vennootschappen – ‘Opt-in’ mogelijk

De wetgever heeft voorzien in een uitgebreide overgangs­regeling voor de bestaande vennootschappen. Op deze vennootschappen is het WVV voor het eerst van toepassing op 1 januari 2020 (zie verder onder punt 2). Dit betekent dat er in principe op 1 mei 2019 voor bestaande vennootschappen niets verandert: zij blijven in de periode tussen 1 mei en 1 januari 2020 ten volle onderworpen aan alle bepalingen van het oude Wetboek van vennootschappen, uiteraard met uitzondering van de statutaire zetelleer en de nieuwe geschillenregeling, die ook per 1 mei 2019 onmiddellijk van toepassing worden op bestaande vennootschappen(13).

De bestaande vennootschappen hebben wel de mogelijkheid zich vrijwillig te onderwerpen aan het WVV, door een statutenwijziging door te voeren waarbij de statuten van de bestaande vennootschap in overeenstemming worden gebracht met de bepalingen van het WVV (de zogeheten ‘opt-in’). In dit laatste geval is een statutenwijziging nodig (in bepaalde gevallen dus een notariële akte) en zal het WVV van toepassing zijn vanaf de datum van bekendmaking van deze statutenwijziging in de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad.

  1. 1 januari 2020: WVV ook van toepassing op bestaande vennootschappen

2.1. Dwingende bepalingen WVV automatisch van toepassing

Vanaf 1 januari 2020 zijn de dwingende bepalingen van het WVV automatisch van toepassing op bestaande vennootschappen. Statutaire bepalingen die in strijd zijn met deze dwingende bepalingen worden vanaf die dag voor niet geschreven gehouden.

Welke bepalingen van dwingend recht zijn, is niet uitdrukkelijk bepaald in het WVV. Vaak zal de bewoording van de bepaling wel een indicatie zijn. De passage “niettegenstaande andersluidende (statutaire) bepaling” of soortgelijke bewoordingen, zijn een indicatie dat een bepaling van dwingend recht is. De zinsnede “behoudens andersluidende bepalingen in de statuten” of varianten daarvan wijzen dan weer op een bepaling van aanvullend recht.

Om wat verduidelijking te geven, bevat de Memorie van Toelichting bij het initiële wetsontwerp(14) een niet-exhaustief overzicht van wat zeker als dwingende bepalingen te beschouwen zijn. Het gaat hierbij om:

-  de onmogelijkheid om een mandaat van bestuurder, lid van de raad van toezicht en lid van de directieraad in uitoefening van een arbeidsovereenkomst uit te voeren;(15)

-  de verruiming van het begrip dagelijks bestuur;

-  de nieuwe belangenconflictenregeling;

-  de regels van winstuitkering in de bv(ba), waaronder de dubbele uitkeringstest;

-  sommige bepalingen bij uittreding ten laste van het vermogen van een bv en cv;

-  de regels omtrent de (onder bepaalde voorwaarden beperkte) bestuurdersaansprakelijkheid;

-  de procedure inzake nietigverklaring van besluiten van bestuursorganen;

-  de vernieuwde vereffeningsprocedure;

-  de neutralisering van de onthoudingen bij de stemming op de algemene vergadering;

-  de verplichting voor het bestuursorgaan van een bv(ba) en een nv om een verslag op te stellen bij iedere uitgifte van nieuwe aandelen (zelfs bij inbreng in geld).

2.2. Nieuwe benamingen automatisch van toepassing

Voor bestaande vennootschappen worden de nieuwe benamingen en afkortingen van de vennootschapsvormen op 1 januari 2020 verplicht van toepassing:

-  een “gewone commanditaire vennootschap”, afgekort “Comm. V” wordt een “commanditaire vennootschap”, afgekort “CommV;

-  een “besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid”, afgekort “bvba” wordt een “besloten vennootschap”, afgekort “bv”;

-  een “coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid”, afgekort “cvba” wordt een “coöperatieve vennootschap”, afgekort “cv”;

-  de afkorting van de vennootschap onder firma wordt “vof” i.p.v. “v.o.f.”.

Aangezien alle stukken(16) uitgaande van een vennootschap onder meer de correcte rechtsvorm van die vennootschap moeten bevatten, zullen de bestaande vennootschappen ervoor moeten zorgen dat vanaf 1 januari 2020 bijvoorbeeld hun website, briefpapier en facturen de nieuwe benaming/afkorting van hun vennootschapsvorm vermelden.

2.3. Aanvullende bepalingen WVV van toepassing, behoudens andersluidende statutaire bepaling

Ook de aanvullende bepalingen van het WVV worden op 1 januari 2020 van toepassing op bestaande vennootschappen, maar uiteraard enkel in zoverre zij niet door statutaire clausules worden uitgesloten.(17) De statuten van bestaande vennootschappen die nog niet zijn aangepast aan het WVV, blijven dus primeren ten aanzien van bepalingen van aanvullend recht uit het WVV. Aangezien de statuten van vele vennootschappen verwijzen naar bepalingen van het oude Wetboek van vennootschappen of zelfs hele stukken ervan hernemen (bv. de bepalingen inzake het aantal bestuurders in een nv, overdraagbaarheidsbeperkingen in een bvba), zullen veel van zulke bepalingen – voor zover zij niet indruisen tegen bepalingen van dwingend recht van het WVV – nog van toepassing blijven zolang de betrokken statuten niet worden aangepast.

Hierbij valt op dat het ontslag ‘ad nutum’ van bestuurders in een naamloze vennootschap, d.w.z. het recht van de algemene vergadering van een naamloze vennootschap om te allen tijde een bestuurder te ontslaan en het daaraan gekoppelde verbod voor de vennootschap om aan zo’n bestuurder een ontslagvergoeding of opzegtermijn toe te kennen, dat tot op heden wordt geacht van openbare orde te zijn, in het WVV van aanvullend recht wordt gemaakt.(18) Hieruit volgt dat, voor zover de statuten van de bestaande vennootschap de strengere bepalingen van het oude Wetboek van vennootschappen dienaangaande niet hebben hernomen, met ingang van 1 januari 2020 de mogelijkheid wordt geboden om een bestuurder van een naamloze vennootschap een zekere ontslagbescherming toe te kennen, bijvoorbeeld door hem een bepaalde minimumduur te garanderen of door in een opzegtermijn of ontslagvergoeding te voorzien.

2.4. Verplichting statuten te conformeren aan WVV bij eerstvolgende statutenwijziging

De bestaande vennootschappen zijn verplicht hun statuten in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het WVV ter gelegenheid van de eerstvolgende statutenwijziging na 1 januari 2020(19), tenzij deze statutenwijziging voortvloeit uit de toepassing van het toegestane kapitaal, de uitoefening van  inschrijvingsrechten of de conversie van converteerbare obligaties.(20) Dit wil zeggen dat bij iedere naamwijziging, doelwijziging, kapitaalverhoging na 1 januari 2020, de statuten van de bestaande vennootschap zullen moeten worden aangepast aan de bepalingen van het WVV.

Wat bij een zetelverplaatsing van een bestaande vennootschap na 1 januari 2020? Indien de zetelverplaatsing door de algemene vergadering wordt beslist, zal sowieso een statutenwijziging nodig zijn met bijhorende aanpassing van de statuten aan de bepalingen van het WVV. Wanneer de zetelverplaatsing wordt beslist door het bestuursorgaan(21), stelt het WVV dat “[dergelijke beslissing van het bestuursorgaan […] geen statutenwijziging [vereist], tenzij het adres van de rechtspersoon in de statuten is opgenomen of wanneer de zetel verplaatst wordt naar een ander Gewest]. Aangezien de statuten van bestaande vennootschappen onder het oude Wetboek van vennootschappen verplicht zijn het (volledige) adres van de maatschappelijke zetel te vermelden(22), volgt hieruit dat iedere zetelverplaatsing beslist door het bestuursorgaan na 1 januari 2020 een wijziging van “het adres van een rechtspersoon in de statuten” inhoudt en dus een statutenwijziging vereist, met bijhorende aanpassing van de statuten aan de bepalingen van het WVV.

De leden van het bestuursorgaan zijn persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de schade geleden door de vennootschap of door derden ten gevolge van de verplichting om de statuten te conformeren aan het WVV.

2.5. Automatische omzetting kapitaal van bestaande bvba’s en cvba’s

Op 1 januari 2020 worden het volgestorte gedeelte van het (vaste) kapitaal en de wettelijke reserve van bestaande bvba’s en bestaande cvba’s, van rechtswege en zonder vervulling van enige formaliteit, omgevormd in een statutair onbeschikbare eigen vermogensrekening. Het niet gestorte gedeelte van het (vaste) kapitaal van deze bestaande vennootschappen wordt op dezelfde wijze omgevormd in een eigen vermogensrekening “niet-opgevraagde inbrengen”. Bij volstorting worden de gestorte bedragen geboekt op de onbeschikbare eigen vermogensrekening.

De modeljaarrekeningen zullen worden aangepast om deze omvorming mogelijk te maken.

Deze omvorming heeft overigens geen fiscale impact. In de mate dat werkelijk gestort fiscaal kapitaal deel uitmaakt van het omgevormde eigen vermogen, blijft dit gedeelte immers haar fiscale statuut behouden.

2.6. Aantal dwingende bepalingen van W. Venn. wordt afgeschaft

Het WVV schaft ook een aantal dwingende bepalingen van het oude Wetboek van vennootschappen af. Meldenswaardig zijn hier de afschaffing van de beperking van het aantal door een vennootschap in te kopen effecten tot 20 % van het maatschappelijk kapitaal, de verplichting voor bvba’s om de door hen ingekochte effecten binnen de twee jaar na de verkrijging opnieuw te verkopen en de opheffing van de beperkingen inzake kruisparticipaties.

Behoudens andersluidende statutaire bepalingen, zullen bestaande vennootschappen vanaf 1 januari 2020 ten volle van deze nieuwe, flexibelere regels gebruik kunnen maken, ongeacht of zij hun statuten al dan niet in overeenstemming hebben gebracht met het WVV. Er moet uiteraard wel telkens worden nagekeken of de statuten van de bestaande vennootschap de strengere bepalingen van het oude Wetboek van vennootschappen dienaangaande niet hebben hernomen.

2.7. Bestaande directiecomités kunnen (voorlopig) blijven bestaan

Het WVV voert een nieuwe bestuursregeling in voor naamloze vennootschappen(19). Deze nieuwe regeling voorziet in de mogelijkheid om een eenhoofdig bestuur te organiseren, te werken met een klassieke raad van bestuur, maar ook in de afschaffing van het directiecomité en de vervanging ervan door een optioneel, volledig duaal bestuursmodel bestaande uit een raad van toezicht en een directieraad.

Het WVV voorziet dat de bestaande directiecomités in de overgangsperiode kunnen blijven bestaan tot de dag waarop de betrokken vennootschappen hun statuten aanpassen aan het WVV of uiterlijk tot 1 januari 2024. Bij de eerstvolgende statutenwijziging na 1 januari 2020 zullen vennootschappen met een directiecomité hun bestuursmodel dus wel moeten aanpassen aan een van de drie nieuwe bestuursmodellen die in een nv mogelijk zullen zijn.

2.8. Wat met vennootschappen waarvan de rechtsvorm is afgeschaft?

Tot hun omzetting in een andere rechtsvorm, blijven de vennootschappen waarvan de rechtsvorm wordt afgeschaft(20), beheerst door het oude Wetboek van vennootschappen, met dien verstande dat, vanaf de dag waarop het WVV op hen van toepassing wordt, bovendien de dwingende bepalingen van het WVV:

-  die toepasselijk zijn op de naamloze vennootschap21, toepasselijk worden op de commanditaire vennootschap op aandelen;

-  die toepasselijk zijn op de vennootschap onder firma, toepasselijk worden op de coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid, op het economisch samenwerkingsverband en op de landbouwvennootschap die geen stille vennoten heeft;

-  die toepasselijk zijn op de commanditaire vennootschap, toepasselijk worden op de landbouwvennootschap die stille vennoten heeft;

-  die toepasselijk zijn op de besloten vennootschap22 toepasselijk worden op de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die niet aan de definitie van een coöperatieve vennootschap in artikel 6:1 van het WVV beantwoordt.

Wat betreft de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, stelt de wettelijke definitie van artikel 6:1 WVV dat de coöperatieve vennootschap “tot voornaamste doel [heeft] aan de behoeften van haar aandeelhouders dan wel derde belanghebbende partijen te voldoen en/of hun economische en sociale activiteiten te ontwikkelen, onder meer door met hen overeenkomsten te sluiten over de levering van goederen, de verrichting van diensten of de uitvoering van werken in het kader van de activiteit die de coöperatieve vennootschap uitoefent of laat uitoefenen.”(23)

Het is duidelijk dat er momenteel tal van vennootschappen zijn, zeker onder de vrije beroepers (advocaten, bedrijfs­revisoren, accountants), die momenteel de rechtsvorm hebben van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, maar die niet voldoen aan de coöperatieve definitie van artikel 6:1 van het WVV. Deze vennootschappen zullen dan ook met ingang van 1 januari 2020 onderhevig worden aan de dwingende bepalingen van het WVV die van toepassing zijn op de bv’s (o.m. de dubbele uitkeringstest en de nieuwe belangenconflictenregeling) en uiterlijk op 1 januari 2024 de rechtsvorm van een bv moeten aannemen(24).

Tijdens de overgangsperiode geldt dat in (het uitzonderlijke) geval van tegenstrijdigheid tussen dwingende bepalingen van het WVV en deze van het oude Wetboek van vennootschappen, de dwingende bepalingen van het WVV prevaleren.

  1. 1 januari 2024: verplichte statutenwijziging – wijziging rechtsvorm

3.1. Vennootschappen waarvan de rechtsvorm niet wordt afgeschaft

Uiterlijk op 1 januari 2024 moeten de statuten van alle bestaande vennootschappen in overeenstemming worden gebracht met de bepalingen van het WVV.

De leden van het bestuursorgaan zijn persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de door de vennootschap of door derden geleden schade ten gevolge van de niet-nakoming van deze verplichting.

3.2. Wat met vennootschappen waarvan de rechtsvorm wordt afgeschaft?

De rechtspersonen die een van de door het WVV afgeschafte rechtsvormen hebben en op 1 januari 2024 nog niet in een andere rechtsvorm zijn omgezet, worden op die dag van rechtswege als volgt omgezet:

-  een commanditaire vennootschap op aandelen wordt een naamloze vennootschap met een enige bestuurder;

-  een landbouwvennootschap wordt een vennootschap onder firma en indien er stille vennoten zijn, een commanditaire vennootschap;

-  een economisch samenwerkingsverband wordt een vennootschap onder firma;

-  een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid wordt een vennootschap onder firma;

-  een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die niet aan de definitie van een coöperatieve vennootschap in artikel 6:1 van het WVV beantwoordt, wordt een besloten vennootschap.

Uiterlijk op 30.06.2024 dient het bestuursorgaan van een dergelijke vennootschap de algemene vergadering bijeen te roepen met als agenda de aanpassing van de statuten aan de nieuwe rechtsvorm. De procedure van omzetting van vennootschappen zoals bepaald in boek 14, titel 1, hoofdstuk 2 van het oude Wetboek van vennootschappen vindt geen toepassing. Er zal dus geen bijzonder verslag van het bestuursorgaan vereist zijn en ook geen verslag van een bedrijfsrevisor.

Wanneer een commanditaire vennootschap op aandelen wordt omgezet in een naamloze vennootschap, kunnen de vetorechten waarover de statutaire zaakvoerder vóór de omzetting beschikt overeenkomstig artikel 659 van het oude Wetboek van vennootschappen of de statuten slechts in de statuten van deze naamloze vennootschap worden beperkt indien de statutaire zaakvoerder daarmee instemt.

De leden van het bestuursorgaan zijn persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de door de vennootschap of door derden geleden schade ten gevolge van de niet-nakoming van deze verplichting.

  1. Best niet wachten tot 2024

Of het voor bestaande vennootschappen al dan niet interessant is om voor 2024 hun statuten vrijwillig in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het WVV, is geval per geval te beoordelen. Een aantal zaken pleit er zeker voor om nu al actie te ondernemen.

4.1. Duidelijkheid

Zoals uit bovenstaande mag blijken, is de overgangsregeling redelijk complex en kan ze leiden tot (rechts)onzekerheid. Via een vrijwillige aanpassing van de statuten wordt een einde gemaakt aan deze (rechts)onzekerheid en worden moderne statuten aangenomen die (hopelijk) voor een heel aantal jaren van toepassing kunnen blijven. De oefening moet uiterlijk 1 januari 2024 toch worden gedaan, dus waarom er niet meteen komaf mee maken?

4.2. Meteen genieten van de toegenomen flexibiliteit

Een van de krachtlijnen van het WVV is de verhoogde flexibiliteit en een grote statutaire vrijheid. Deze flexibiliteit wordt vaak bepaald in bepalingen van aanvullend recht in het WVV, die zoals voormeld slechts van toepassing zijn indien er geen afwijkende statutaire bepalingen zijn. Men kan met andere woorden maar ten volle gebruik maken van deze voordelen in de mate dat de statuten van de bestaande vennootschap de strengere bepalingen van het oude Wetboek van vennootschappen dienaangaande niet hebben hernomen.

Een goed voorbeeld hiervan is de mogelijkheid die door het WVV wordt geboden om eenhoofdig bestuur te organiseren in de naamloze vennootschap (nv). Tot op heden moet een nv worden bestuurd door een collegiale raad van bestuur, bestaande uit minstens drie leden. Enkel in nv’s waar er twee of minder aandeelhouders zijn, kan worden volstaan met twee bestuurders.

De verplichting van een collegiale, meerhoofdige raad van bestuur zorgde in vele kmo’s die de vorm hadden van een nv voor problemen, aangezien er - mede omwille van het aansprakelijkheidsrisico - vaak te weinig kandidaten waren om de (vertegenwoordiger van de) hoofdaandeelhouder te flankeren in de raad van bestuur. Bovendien kon het ook voor de hoofdaandeelhouder vervelend zijn, aangezien er door de verplichte benoeming van minstens één collega-bestuurder altijd een ‘pottenkijker’ moest worden toegelaten op het hoogste bestuursniveau, waaraan wettelijk bepaalde stem- en onderzoeksrechten werden toegekend.

De mogelijkheid tot eenhoofdig bestuur zal voor bepaalde nv’s dan ook worden beschouwd als een voordeel, aangezien het bestuur van de kmo-nv op die manier aanzienlijk kan worden vereenvoudigd.

Bovendien zal aan de enige bestuurder van een nv ten aanzien van een aantal beslissingen (bijvoorbeeld statutenwijziging, winstuitkering) een vetorecht kunnen worden toegekend, wat niet in het minst in de context van familiale opvolging zeer interessant kan zijn.

Bron: TaxWin